Kaaps Kladblok.
Volstrekt willekeurig aanschouw ik aandoenlijke taferelen op straat vanuit het raam van de volgepropte minibus. Ik zie een volwassen man met een rode ballon die hij zorgvuldig bij zich houdt aan me voorbij schieten. Wat zou deze figuur met die rode ballon doen? Het meest waarschijnlijk acht ik de weg naar het kinderpartijtje van zijn nichtje.
Ik groet een angstaanjagend kreupel figuur even enthousiast terug zoals hij dat deed. Gesprekken worden luidkeels gevoerd met vreemden die net zo gauw als ze verschijnen in het busje weer verdwijnen in een willekeurige stroom mensen in de straten van Kaapstad.
De felle kleuren schieten aan me voorbij als we harder rijden om het groene licht te halen. Een vrolijk liedje wordt gespeeld op de Afrikaanse radio. We stoppen voor de zesde keer, dat heb ik geteld. De ronselaar der passagiers stapt weer uit en schreeuwt uit volle borst ‘Cahapetownnnnn, Kaaaaapstadtt’. Deze woorden roept hij zo vaak achter elkaar dat het lijkt of hij is vastgelopen. Willekeurige voorbijgangers worden aangeschoten en in de minibus gepropt. De ronselaar springt op schoot van de passagier die er eigenlijk niet meer in paste, gooit de deur dicht en de bedreven chauffeur scheurt voor de zevende maal als een bezetene weer verder.
Over de hoofden stap ik uit het busje, zeg de ronselaar gedag en krijg geen groet terug. Ik loop naar huis via een onbepaalde route. Dit is mijn eigen, uniek willekeurig Kaaaaapstadtt!

‘Geef mij Amsterdaaaahaaaam’ galmt het door het kleine groene auto-tje die klaarblijkelijk ‘Midge’ heet. Niet de Mitch als in Buchannon uit Baywatch. Maar Midge. Onze surfplanken hebben we vastgebonden op het dak. We zijn op weg naar het einde van de wereld. De wegen zijn verlaten, de automobilisten uiterst vriendelijk, (zou dat verband met elkaar hebben?). We knipperen met onze lichtjes als we iemand inhalen en zij knipperen vrolijk terug.
De zon schijnt onafgebroken. Tijdens onze reis surfen wij in Victoria Baai en poolen in Wilderness. We rijden via Tsitsikamma National Park door naar Jeffreys baai. Samen zitten we op bankjes die de door maan verlichtte kustlijn overzien. Er wordt gekletst over niets en gepraat over alles. Met elkaar ontdekken we de schone wereld die Zuid-Afrika heet. Ik surf, Ben surft, wij surfen, zij genoten.




